Grote Waternavel

Beschrijving:

De grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides L.f.) is een overblijvende water- of amfibieplant. Men vindt de soort in rivieren en grachten met een gering debiet. De plant heeft glanzende groene bladeren die een dik tapijt vormen op het water. De bladeren zijn hartvormig en hebben een diameter van 2 tot 6 cm. Ze drijven lichtjes over het wateroppervlak; soms liggen ze ook net onder de waterspiegel. De stengels zijn fijn en vormen een reeks knopen. De wortels van de plant hechten zich vast in de modder van de bedding. De grote waternavel bloeit van augustus tot oktober en vormt  kleine witte of groenachtige bloempjes.

De grote waternavel werd ingevoerd om waterbekkens en aquariums van zuurstof te voorzien en is meestal per ongeluk in de natuur terecht gekomen. De soort is erg invasief over het hele gebied van het project: er zijn al tientallen kilometer waterlopen aangetast. De felle verspreiding van de grote waternavel is schadelijk voor het milieu, niet alleen door de verminderde lichtintensiteit en de daling van de zuurstofvoorziening. De plant kan immers ook verstopping van bruggen veroorzaken, met alle gevolgen van dien: een verhoging van het waterpeil waardoor de waterlopen uit hun oevers kunnen treden.

Bestrijdingswijze:

De bestrijdingsmethode werd aangepast aan de omvang van de te behandelen zones. Als het om grote haarden gaat, kan men omzeggens niet anders dan zijn toevlucht nemen tot mechanische methodes. Voor kleinere zones kan een manuele actie al heel goede resultaten opleveren; bovendien is een manuele actie veel minder belastend voor het waterleven. Er zijn sinds 2007 al verschillende werven geweest, zodat men nu over een betere analyse beschikt van de toe te passen methodes.

Er werd een testzone voor de methodes vastgelegd, namelijk de waterloop van de Laudyck te Estaires, en dit over een lengte van 8220 ml.

Als de plant fel woekert, verdient een mechanische behandeling de voorkeur. Ontslibben is nodig, want het herhaaldelijk maaien met de biezenzeis volstaat niet om optimaal in te grijpen in zwaar aangetaste zones. De wortels hebben zich immers in het slib vastgehecht, waardoor ze bij het maaien in het water blijven steken en opnieuw gaan groeien. We hebben dan ook gekozen om de zone te ontslibben. Het zal in Frankrijk nodig zijn om af te wijken van de reglementaire dossiers die vereist zijn krachtens de wetgeving met betrekking tot de waterlopen (rubriek 3.2.1.0 art R214-2 van de Franse Code de l'Environnement).

De werf zal vervolgens strikte voorschriften dienen na te leven in verband met de opvolging om te vermijden dat de soort zich stroomafwaarts zou gaan ontwikkelen. Men zou stroomafwaarts van de werf filtersystemen kunnen plaatsen om kleinere plantdelen op te vangen. Naast de mechanische apparatuur, zal het personeel uitgerust zijn met schepnetten om de plantdelen op te vissen naargelang de werf vordert. Het afval wordt eveneens op een speciale manier behandeld: er worden grachten langs de waterloop uitgegraven waarin de smurrie plantresten + slib kan worden gestort.

Dit type werf werd in regie uitgevoerd met twee hydraulische graafmachines gedurende de hele tijd van de werf. Een schop wordt met aan aangepaste biezenzeismand uitgerust die de plant met de wortel en al uitrukt, terwijl de andere schop dient om de greppel waarin het afval zal worden gestort uit te graven en weer te dempen.

De werf vraagt ook veel mankracht om de mechanische arbeid te ondersteunen. Men schat dat er zo'n 6 à 10 mandagen per kilometer nodig zijn. De interventiekost wordt gemiddeld geraamd op 8 à 10 euro per lineaire meter, met toepassing van deze methode.

De grote waternavel vereist een heel regelmatige opvolging na afloop van de werf. Zo moet de werf binnen de veertien dagen nog eens worden gecontroleerd om zeker te zijn dat de operatie tot een goed einde wordt gebracht. Daarna is een tweemaandelijkse controle gedurende drie à vier jaar na het einde van de werf nodig. Tijdens deze controles is manuele interventie vaak nodig. Dit komt neer op ongeveer 0,5 mandagen per kilometer, per jaar. De plantresten worden in dat geval in zakken gedaan en naar afvalverwerkingsbedrijven gevoerd. Na het 4de jaar, is een controle om de 4 à 6 maanden nodig om de stand van zaken in het oog te houden en waakzaam te zijn voor eventuele nieuwe invasies.

Het manueel uittrekken wordt eveneens toegepast, voornamelijk als eerste bestrijdingsactie op kleine oppervlakken; deze methode verdient ook de voorkeur voor de bestrijding van nieuwe haarden. De mankracht nodig voor een eerste bestrijdingsactie bedraagt gemiddeld 8 mandagen per kilometer waterloop, wat neerkomt op ongeveer € 1,20/ml. In tegenstelling tot de mechanische methode, zal de opvolging van deze actie relatief intensief zijn met een maandelijkse of tweemaandelijkse controle, naargelang van de weersomstandigheden; de opvolging vergt evenveel mankracht als de 1ste actie omdat de plant zich vaak heel goed herstelt vanaf de maand juni.

De derde mogelijke methode, die ook werd uitgetest, bestaat in het maaien met de biezenzeis, zoals vaker gebeurt in het kader van de strijd tegen overstromingen. In dit geval wordt de biezenzeismand gebruikt door de secties te blokkeren teneinde de plant uit te rukken en niet te snijden om de verspreiding van kleine deeltjes te voorkomen. Maaien met een biezenzeis is gemakkelijk, maar blijkt over het geheel genomen maar weinig efficiënt, daar de invasie vaak heropflakkert. De plant is immers vaker niet dan wel volledig uitgerukt, zodat het werk moet worden gecombineerd met een manuele interventie om de verspreiding van de plant binnen de perken te houden en de opvolging te verzekeren met een frequentie die gelijk is aan deze van het manueel uittrekken, evenwel met minder mankracht. Maaien met de biezenzeis kost ongeveer € 1,30/ml.

De resultaten:

Van de drie toegepaste methodes heeft men alleen met de ontslibbingstechniek de grote waternavel binnen een tijdspanne van 5 jaar kunnen uitroeien. Toch moeten de partners de evaluatie van de twee andere methodes opvolgen om te weten of ze alleen de invasie beheersen of ook nog de plant kunnen uitroeien.

Tijdens het LUPIN-project hebben de partners de grote waternavel bestreden over een afstand van 10,42 km waterlopen binnen de projectzone. De partners hebben of met hun eigen teams in regie gewerkt of met onderaannemingscontracten.

In onderstaande tabel vindt u de belangrijkste technische gegevens met betrekking tot deze 3 methodes:


Tevens werd vastgesteld dat de grote waternavel heel klimaatsgevoelig is. De strenge winter van 2012/2013 heeft geleid tot een verminderde uitbreiding van de soort in de lente van 2013. De warme dagen van 2014 hebben daarentegen de proliferatie van de soort in de hand gewerkt in sectoren waar ze in 2013 nog maar heel weinig aanwezig was.